Feitelijke uitstroom oudere werknemers irrelevant bij beoordeling RVU

Na een jarenlange strijd over de regeling voor vervroegde uittreding (RVU) heeft de Belastingdienst opnieuw bot gevangen.

Wat speelde er?

In navolging van Hof Den Bosch heeft de Hoge Raad op 22 juni 2018 geoordeeld dat de vraag of een sociaal plan met een vrijwilligers- en plaatsmakersregeling bij een reorganisatie  (hierna Regeling) een regeling voor vervroegde uittreding (RVU) is, moet worden bepaald aan de hand van objectieve maatstaven. De feitelijke uitstroom van oudere werknemers is daarbij niet relevant.

De zaak ging over een werkgever die in april 2013 een reorganisatie aankondigde waardoor 230 arbeidsplaatsen zouden vervallen. In het met de vakbonden overeengekomen sociaal plan werd het afspiegelingsbeginsel toegepast bij de ontslagselectie. Het sociaal plan bevatte daarnaast zo’n Regeling. Boventallige werknemers en werknemers die gebruikmaken van de Regeling, ontvingen een beëindigingsvergoeding. Deze vergoeding werd berekend op basis van de kantonrechtersformule en bedroeg maximaal de redelijkerwijs te verwachten inkomensderving tot het bereiken van de AOW‑gerechtigde leeftijd. Bij de berekening van de vergoeding werd rekening gehouden met de uitkeringsrechten waarop een werknemer aanspraak kon maken. Een werknemer kon alleen met uitdrukkelijke schriftelijke goedkeuring van de werkgever gebruikmaken van de Regeling.

Belastingdienst: feitelijke uitwerking Regeling leidt tot RVU

Het Hof oordeelde dat geen sprake was van een RVU. Daartegen ging de Belastingdienst in cassatie, omdat volgens de Belastingdienst Hof weliswaar terecht geoordeeld heeft dat de objectieve kenmerken en voorwaarden van de Regeling en de feitelijke invulling daarvan leidend zijn, maar dat het vervolgens heeft miskend dat het doel van de Regeling kenbaar wordt door de feitelijke werking daarvan. Volgens de Belastingdienst moet dus voor de vraag of sprake is van een RVU gekeken worden naar de feitelijke uitstroom van medewerkers en de hoogte van de aan hen betaalde ontslagvergoedingen. Wijkt de uitstroom van oudere werknemers 10% of meer af van een sociaal plan zonder Regeling dan is sprake van een RVU en volgt een pseudoheffing van 52% over de waarde van die ontslagvergoeding.

Hoge Raad: objectieve beoordeling noodzakelijk

De Hoge Raad gaat hier niet in mee. Beoordeeld moet worden of de Regeling bedoeld is om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen voor de werkgever om de Regeling aan te bieden en de keuze van de werknemer om deze te accepteren, doen niet ter zake. Om die reden behoefde ook geen acht te worden geslagen op de feitelijke uitstroom van de werknemers en hoogte van betaalde ontslagvergoedingen.

Deze uitspraak betekent in feite dat zolang je als werkgever maar objectief het afspiegelingsbeginsel hanteert, een vrijwillige vertrekregeling in een sociaal plan niet als RVU hoeft te kwalificeren.

Dennis Veldhuizen (dv@clintlegal.com / +31 20 820 0330)