COVID-19 rechtvaardigt huurverlaging. Ook salarisverlaging?

Rechtbank Den Haag oordeelde onlangs dat de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid heeft gezorgd voor een fundamentele verstoring van het evenwicht in een huurovereenkomst tussen een restauranthouder en diens verhuurder. Die verstoring rechtvaardigt volgens de rechtbank verlaging van de huur.

De rechtbank baseerde zich hierbij op het algemene verbintenissenrecht en meer specifiek op de regeling van de onvoorziene omstandigheden of ‘imprévision’ (artikel 6:258 BW). Op grond van deze regeling kan de rechter op verlangen van een partij de gevolgen van een overeenkomst wijzigen indien sprake is van dusdanig onvoorziene omstandigheden dat “de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten”.

Volgens de rechtbank moest het financiële nadeel van de crisis over huurder én verhuurder worden verdeeld. De rechter besloot de huurprijs met 50% te verlagen voor de maanden waarin restaurants op last van de overheid geheel gesloten waren en 25% gedurende een periode waarin restaurants met een beperkt aantal plaatsen open mochten. Zo zou de overeenkomst weer in balans worden gebracht.

Toepassing in het arbeidsrecht?

Hoewel het huurrecht en het arbeidsrecht verschillende rechtsgebieden zijn, is het voorstelbaar dat ook in het arbeidsrecht (collectieve) overeenkomsten in disbalans zijn geraakt door financieel nadeel dat werkgevers door de coronacrisis hebben geleden en nog steeds lijden. Rechters gaan in het arbeidsrecht zeer terughoudend om met artikel 6:258 BW. Nu Rechtbank Den Haag de coronacrisis in een huurkwestie heeft aangewezen als onvoorziene omstandigheid, kan dat aanleiding zijn deze crisis in het arbeidsrecht ook onvoorzienbaar te achten. Echter, met die constatering is men er nog niet. Voor een succesvol beroep op artikel 6:258 BW moet een werkgever tevens aantonen waarom de onvoorziene omstandigheid niet geheel voor rekening van de werkgever mag komen.

In tegenstelling tot de verhuurder in de huurkwestie, is de wederpartij van een werkgever geen commerciële partij, maar een particulier: de werknemer. Dat zal voor rechters aanleiding zijn om de risicosfeer van de werkgever zeer ruim uit te leggen. Toch bestaan er in de wet en wetsgeschiedenis wel degelijk aanknopingspunten om in buitengewone situaties de risicoverdeling tussen werkgever en werknemer enigszins te heroverwegen. Zo wordt het wettelijke recht op loon van een werknemer tijdens ziekte verminderd van 100% naar 70% en kan een werkgever, onder voorwaarden, worden ontheven van zijn loondoorbetalingsplicht indien geen arbeid kan worden verricht als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden, zoals overvloedige regenval.

Mogelijk zal de uitspraak van de Rechtbank Den Haag leiden tot hernieuwde pogingen van werkgevers om 6:258 BW ook in het arbeidsrecht voet aan de grond te laten krijgen, maar één ding is zeker: de lat ligt hoog.

Merel Keijzer (mk@clintlegal.com / +31 20 820 0330)