RVU-versoepeling: ruimere mogelijkheid vervroegde uittreding!

Op 1 januari 2006 werd een streep getrokken door het fiscale voordeel voor VUT- en andere vroegpensioenregelingen. Vanaf dat moment geldt een regeling die het doel heeft werknemers een overbruggingsuitkering tot hun pensioengerechtigde leeftijd aan te bieden, als een Regeling Vervroegd Uittreden (“RVU”). Het pensioenakkoord van juni 2019 bevat een versoepeling van de RVU-regeling. Deze regeling is onderdeel van het wetsvoorstel “Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen” dat op dit moment ter goedkeuring bij de Tweede Kamer ligt.

Verkapte pensioenregeling

Van een verkapte vroegpensioenregeling is sprake als werkgevers aan werknemers vertrekregelingen aanbieden met het enige doel hen te faciliteren eerder te stoppen met werken. In dat geval is sprake van een RVU die werknemers in staat stelt de periode tot hun pensioen financieel te overbruggen. Een werkgever kan dan een sanctie in de vorm van een eindheffing  van de Belastingdienst verwachten. Sinds 2011 bedraagt de hoogte daarvan 52%. In beginsel is het VUT-begrip zeer ruim geformuleerd. Een RVU-sanctie volgt echter niet in het geval van een vertrekregeling vanwege bedrijfseconomische redenen. Ook wanneer sprake is van een niet aan leeftijd gerelateerd individueel ontslag, bijvoorbeeld wegens disfunctioneren, arbeidsconflict of verschil van inzicht over het te voeren beleid, is geen sprake van een RVU. De bewijslast daarvoor ligt bij de werkgever.

RVU-versoepeling

De RVU-versoepeling die volgt uit voornoemd pensioenakkoord biedt voor werkgevers tijdelijk de mogelijkheid met oudere werknemers die eerder willen stoppen met werken, een RVU overeen te komen zonder dat daarop de 52% eindheffing van toepassing is. Deze tijdelijke versoepeling geldt voor werknemers die niet hebben kunnen anticiperen op de verhoging van de AOW-leeftijd dan wel vanwege gezondheidsredenen niet in staat zijn tot de AOW-leeftijd door te werken.

Voorwaarden en uitgangspunten RVU-versoepeling

Bij de tijdelijke RVU-versoepeling gelden de volgende voorwaarden en uitgangspunten:

  • generieke regeling: er wordt niet getoetst of de betreffende werknemer daadwerkelijk niet in staat is tot doorwerken na de AOW-leeftijd;
  • de regeling heeft betrekking op werknemers die binnen drie jaar hun AOW-leeftijd bereiken;
  • tijdelijke maatregel met als doel dat deze per 1 januari 2021 in werking treedt en naar verwachting tot en 31 december 2025 zal duren;
  • bruto vrijstelling van € 19.000,- per jaar (daarboven is de RVU-heffing nog steeds van toepassing);
  • voor de vrijstelling is vereist dat alle betalingen in het kader van de RVU-heffing voor 31 december 2025 zijn voldaan;
  • mogelijkheid om op cao-niveau aanvullende afspraken te maken.

Dubbele vrijwilligheid

De tijdelijke RVU-versoepeling gaat uit van vrijwilligheid van zowel de werkgever als de werknemer. Dat wil zeggen dat werkgevers en werknemers vrij zijn in hun keuze van deze mogelijkheid gebruik te maken en dat beide partijen het erover eens moeten zijn dat de werknemer uit dienst gaat en onder welke voorwaarden.

Kom alvast in actie!

Hoewel op dit moment het wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen nog moet worden aangenomen, kan het van belang zijn om nu al na te denken over een uitwerking van de RVU-regeling en de implementatie daarvan binnen de organisatie. De regeling kan bijvoorbeeld worden ingezet als een vrijwillige vertrekregeling bij een reorganisatie. Door alvast na te gaan welke werknemers hiervoor in aanmerking zouden willen en kunnen komen, kunnen deze werknemers op tijd gebruik maken van deze versoepeling. Een werkgever beschikt dan over de mogelijkheid om aan een werknemer drie jaar voorafgaand aan de AOW-leeftijd een bepaald bedrag mee te geven zonder sanctie van een eindheffing van 52%.

Inge Slangen (is@clintlegal.com / +31 20 820 0330)